Pas gediagnosticeerde ziekte van Crohn: fenotype van patiënten en behandeling
De klinische kenmerken van patiënten bij wie pas een diagnose van ziekte van Crohn is gesteld, zijn bepalend bij de keuze van de behandeling: corticosteroïden, geavanceerde behandeling of chirurgie. Zowel over- als onderbehandeling is uit den boze. Wat leert ons de CROCO-studie, een Europees cohortonderzoek, waar het CHU van Luik aan deelneemt?
De prevalentie van de ziekte van Crohn stijgt gestaag en bedraagt momenteel circa 0,3% van de bevolking. Bij patiënten bij wie de diagnose pas is gesteld, verschilt de eerstelijnstherapie naargelang van de ernst van het ziektebeeld: een lichte, matig ernstige of ernstige ziekte met fistels, abcessen of vernauwingen. De CROCO-studie1 beschrijft de klinische kenmerken van patiënten bij wie de laatste twaalf maanden een diagnose van ziekte van Crohn is gesteld, de voorgeschreven behandeling en de verkregen resultaten.
Gecompliceerde ziekte op het ogenblik van diagnose bij een derde van de patiënten
Tussen augustus 2021 en september 2025 zijn 539 patiënten gerekruteerd in 18 centra. De mediane leeftijd op het ogenblik dat de diagnose werd gesteld, was 33,7 jaar. 55,3% waren mannen. 25,3% rookte, 18,4% had vroeger gerookt. De mediane tijd tussen het verschijnen van de symptomen en de diagnose was 6,0 maanden. De mediane duur van de ziekte bij inclusie in het onderzoek was 3,7 maanden.
Bij 85,7% van de patiënten was het ileum aangetast (L1/L3), 15,6% had anoperineale letsels en 26,4% vertoonde ook ziekteverschijnselen buiten de darmen (16,2% artritis of gewrichtspijn). Een derde van de patiënten vertoonde een gecompliceerd fenotype op het ogenblik dat de diagnose werd gesteld (B2 stenoserend: 18,2%; B3 penetrerend: 13%). Bij 9,5% is darmchirurgie uitgevoerd en bij 3,2% anoperineale chirurgie.
Tijdens het eerste jaar na het stellen van de diagnose heeft 56,6% van de patiënten systemische corticosteroïden gekregen, 16,5% 5-ASA, 1,2% een immunosuppressivum en 64,8% een biologisch geneesmiddel (245 patiënten hebben een TNF-alfa-antagonist gekregen, 32 een IL-12/23-antagonist en 8 een integrine-antagonist). Bijna de helft van de patiënten (48%) vertoonde geen functionele handicap, 24% een lichte en 28% een matig ernstige tot ernstige.
Evolutie in de behandeling
In dat Europese prospectieve cohortonderzoek vertoonde bijna een derde van de patiënten bij wie pas een diagnose van ziekte van Crohn was gesteld, een gecompliceerd fenotype en de helft een lichte tot ernstige handicap hoewel de diagnose toch vrij snel was gesteld. Meer dan de helft van de patiënten heeft corticosteroïden gekregen, maar zonder informatie over de duur van de behandeling (die niet langer mag zijn dan 1-2 weken).
Nog 16% van de patiënten heeft 5-ASA gebruikt, hoewel de richtlijnen aanraden dat geneesmiddel niet meer te gebruiken bij de ziekte van Crohn. Iets meer dan 60% van de patiënten krijgt een biologisch geneesmiddel. Zo’n geneesmiddel is geïndiceerd bij een matig ernstige tot ernstige ziekte, maar daarom nog niet bij alle gevallen van de ziekte van Crohn, te oordelen naar de STARDUST-studie.2 De gegevens weerspiegelen dus goed de huidige evolutie inzake de behandeling van de ziekte van Crohn en de problemen die daarbij rijzen.
Referenties:
1. Vieujean S, et al.JFHOD 2026;P051.
2. Danese S, et al.Lancet Gastro enterol Hepatol 2022 Apr;7(4):294-306.