Prof. Lode Godderis:
“Generatieverschillen omarmen en koesteren”
"O tempora, o mores", wist de Romeinse redenaar Cicero al. Ook in artsenmiddens wordt vaak gesproken over een generatiekloof tussen jonge en oude(re) artsen. Maar is er wel echt sprake van een generatiekloof? Artsenkrant legde Lode Godderis, hoogleraar arbeidsgeneeskunde aan de KU Leuven en CEO van IDEWE, acht quotes voor op basis van een onderzoek naar generatieverschillen door Bank Van Breda.
1. “Jonge artsen werken niet minder hard, ze werken in een complexere context en ervaren daardoor meer druk.”
Lode Godderis: Als het over generaties gaat, vergelijken we vaak ten opzichte van ons eigen verleden. De maatschappij evolueert, het werk verandert, de manier waarop we werken verandert en de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van een zorgverlener zijn gewijzigd. Belangrijke maatschappelijke tendensen zijn de grotere administratieve belasting voor zorgverleners en de hogere verwachtingen van de patiënt. Ik wil misschien zelfs de term cliënt gebruiken. We verwachten meteen een reactie van de arts. Dat wordt nog versterkt door de patiënt die, met de hulp van ChatGPT, al een idee heeft over zijn probleem en met een oplossing komt. Die moet door de arts vaak worden bijgestuurd. Vroeger kon een arts tijdens een raadpleging zijn verhaal doen en een advies geven, dat ook werd gevolgd. De tijden en verwachtingen zijn echter veranderd, met een toenemende werkdruk tot gevolg.
2. “Wat we vandaag als generatieverschil benoemen, is vaak gewoon een maatschappelijke verschuiving die zich in het artsenberoep extra scherp toont.”
De oudere generatie verwacht 100% engagement en dat mag zelfs iets meer zijn dan 100%. De jongere generatie engageert zich ook volledig, maar laat ook ruimte voor andere engagementen. Een arts kon zich vroeger volledig op zijn beroepsactiviteit toeleggen en besteedde minder of geen aandacht aan huishoudelijke taken of de kinderen. Met twee werkende partners is dat vandaag niet langer het geval. Deze complexere context zorgt ervoor dat artsen meer druk ervaren.
3. “De hoge werkdruk bij artsen zit vandaag minder in de zorg zelf dan in alles wat er rond georganiseerd is.”
Puur medisch heeft een arts vandaag veel meer mogelijkheden om een diagnose te stellen en ook het therapeutisch arsenaal is toegenomen. De grootste veranderingen situeren zich bij de verwachtingen van de patiënt. Ook de rol van de patiënt is gewijzigd, ten goede overigens. Het is de patiënt die uiteindelijk beslist. Als arts moet je daarom wel de mogelijke scenario’s en behandelpaden bespreken. De patiënt is veel mondiger geworden, wat extra druk oplevert. Iedereen denkt ook alles te weten na een rondje googelen. Dat druist soms in tegen de wetenschappelijke aanpak waar de arts voor staat. Bij jongere artsen kan het voor onzekerheid zorgen.
Een arts met dertig jaar ervaring zal al sneller een patiënt afblokken dan een beginnende arts. Doorgaans heeft een oudere arts meer autoriteit en kan hij dr. Google makkelijker overrulen. Langs de andere kant zien we dan weer dat de jongere artsen beter getraind zijn in communicatievaardigheden. Er is bij hen vaker sprake van een dialoog met de patiënt. Daarbij moet je wel in rekening nemen dat een patiëntenpopulatie vaak mee evolueert – lees ouder wordt – met de arts. Oudere generaties patiënten zijn doorgaans meer geneigd om hun arts blindelings te volgen, terwijl jongere generaties de arts zien als één bron van informatie. Digitalisering heeft nog een andere impact. Waar een arts vroeger enkel telefonisch bereikbaar was via de medisch secretaresse, is hij nu via diverse wegen – e-mail, sociale media, enz. – rechtstreeks bereikbaar, waardoor de beschikbaarheids- en bereikbaarheidsdruk toenemen.
4. “Work-lifebalance is geen teken van minder engagement maar een voorwaarde om het engagement vol te houden.”
Dit is een heel mooie quote. We komen uit een tijd waarin het idee leefde dat arts zijn een roeping is, je gaat er met hart en ziel voor en besteedt er alle tijd aan die nodig is. Vandaag moeten we de vraag durven te stellen wat iemand een goede arts maakt. Wat heeft de arts nodig om voldoende veerkracht te hebben en er te zijn wanneer zijn patiënten hem echt nodig hebben? We merken dat de afweging tussen werk en privé belangrijk is geworden. Zelfzorg – de tijd die een arts neemt om te recupereren en opnieuw energie op te bouwen – is vandaag belangrijk. De jongere generatie treedt hierover expliciet in dialoog met collega’s. Het taboe dat vroeger bestond, is verdwenen. Jongeren spreken makkelijker over burn-out, terwijl ouderen zeggen dat het ‘in hun tijd’ niet bestond. Ik betwijfel dat. Alleen werd er toen niet over gesproken en werkte men soms verder tot men erbij neerviel.
5. “Voor jonge artsen is een patiëntenstop geen gemakzucht, maar een manier om kwaliteit van zorg te beschermen.”
Dat sluit aan bij zelfzorg. Jonge artsen geven aan dat ze geen kwaliteit kunnen bieden wanneer ze overwerkt zijn. Een patiëntenstop is dan één van de middelen om effectief de nodige kwaliteit te kunnen bieden, hoewel de meeste artsen eigenlijk geen patiëntenstop willen. Het wringt met hun roeping. Als er een patiënt met een urgentie voor de deur staat, gaat de arts hem zeker verzorgen. De vraag is natuurlijk of alles wel zo dringend en urgent is? Voor mij is dit daarom eerder een organisatievraagstuk. Hoe voorkomen we dat individuele artsen een patiëntenstop moeten inroepen? Het is de enige noodrem die een arts heeft en daarom eerder een falen van het systeem dan van de arts of zijn praktijk.
6. “Geen enkele generatie kan de zorg alleen dragen. Ervaring zonder vernieuwing verstilt, vernieuwing zonder ervaring ontspoort.”
Om vernieuwing te bereiken, heb je nieuwe inzichten en recente evoluties nodig. Die worden aangebracht door net afgestudeerde jongeren. Ze zijn vaak ook ‘digitaler’. Maar je hebt ook ervaring nodig om stabiliteit in die zorg te kunnen bieden. Om tot goede gezondheidszorg te komen, heb je diverse blikken nodig. Ik denk echt dat we de generatieverschillen moeten omarmen en koesteren. Ik spreek liever van generatierijkdom dan van generatieconflict. Diversiteit is een grote meerwaarde voor de kwaliteit van zorg, wat door de verschillende generaties wordt beaamd.
7. “Door alles als generatieconflict te benoemen, maken we echte organisatieproblemen onzichtbaar.”
De praktijkvorm onderging grote wijzigingen de afgelopen decennia. Pakweg dertig jaar geleden waren er amper praktijken waar meerdere generaties samenwerkten. Zeker huisarts was een soloberoep, vaak met ondersteuning van de partner. Vandaag zitten we in een context van groepspraktijken waarin meerdere generaties samenwerken. We spreken misschien te graag over een generatiekloof terwijl het eerder gaat om verschillende invullingen van de job die een zekere flexibiliteit vragen. Niet iedereen is even flexibel. Het is belangrijk open te staan voor andermans ideeën en de voor- en nadelen goed af te wegen. Vandaag spreken we vaak ook niet meer over teams van drie of vier zorgverstrekkers, maar van teams van tien of meer zorgverstrekkers. Dat vergt een andere manier van werken.
8. "De toekomst van de geneeskunde ligt niet bij jong of oud, maar bij teams die verschillen durven organiseren."
Het is superbelangrijk om de diversiteit van knowhow, expertise en competenties te gebruiken. Dat komt zowel de zorg als de zorgverstrekker ten goede. Daar zit de grootste kracht en ligt de toekomst van zorgorganisaties. Ik denk aan efficiëntiewinst, aan meer patiënten die adequaat behandeld kunnen worden als men dat effectief op een betere, efficiëntere, gerichtere manier organiseert.