Barometer voor cardiovasculaire zorg op komst
Volgend jaar krijgen huisartsen een barometer voor cardiovasculair lijden waarmee ze de secundaire preventie bij atherosclerotische cardiovasculaire aandoeningen (ASCVD) na een hartinfarct, beroerte of arterieel vaatlijden in hun praktijk kunnen beoordelen. De barometer werd ontwikkeld in het kader van de Leerstoel Cardiovasculair Populatiemanagement aan de KU Leuven.
Prof. Bert Vaes, opdrachthouder van de leerstoel en zelf huisarts in Hoeilaart, licht de achtergrond toe. “We stevenen af op een pandemie van chronische aandoeningen, die zijn piek zal kennen tussen 2040 en 2050. Een groot deel van die aandoeningen zijn cardiovasculair; denk daarbij aan de gekende risicofactoren, maar ook aan mensen die na een event zoals een hersen- of hartinfarct of een operatie van de bloedvaten extra zorg nodig hebben.”
“Tegelijk zien we dat veel zorgverleners – niet alleen huisartsen – nog erg reactief werken: we wachten tot een patiënt met een klacht zich aandient, en dan zullen we die naar beste vermogen proberen te helpen. Maar dat model is niet houdbaar; het leidt tot overbevraagde artsen en tot patiëntenstops.”
Huisartsen moeten daarom de omslag naar meer proactieve zorg maken, zegt Vaes. Het onderzoek binnen de leerstoel – die gesteund wordt door Novartis – richtte zich op de ontwikkeling van instrumenten om huisartsen bij die overgang te ondersteunen.
Barometer voor cardiovasculaire zorg
Een eerste tool is een barometer voor cardiovasculaire zorg, naar het voorbeeld van de bestaande barometers voor diabetes en antibioticagebruik. Een barometer is een tool om audit en feedback te operationaliseren in de praktijk, legt Vaes uit. “Dat is een methode die uitvoerig onderzocht is en een grote impact kan hebben op kwaliteit van de zorg. Je start met een audit: je haalt gegevens over cardiovasculaire zorg uit je elektronisch medisch dossier. En daarover krijg je dan feedback.”
De barometer toont bijvoorbeeld welk deel van de patiëntenpopulatie die een cardiovasculair event hebben meegemaakt, het voorbije jaar op consultatie werd gezien en een bloeddrukmeting kregen. “Dat percentage kan je dan vergelijken met het gemiddelde van de praktijken in je regio, maar ook met wat de 10% beste praktijken doen. Stel dat jouw praktijk op 50% zit en het gemiddelde 40% is, dan kan je denken dat je goed bezig bent. Maar als je ziet dat de beste scorende praktijken 70% halen, dan heb je een realistisch doel om te verbeteren. Dat is het fundamentele verschil tussen een barometer en een richtlijn die van bovenaf wordt opgelegd: je weet dat die 70% haalbaar is, want er zijn praktijken die het al kunnen.”
Een tweede tool toont huisartsen aan de hand van een vragenlijst in hoeverre zij al proactieve zorg geven, en hoe ze het doen in vergelijking met andere praktijken. “Ze leren daardoor waar ze kunnen bijsturen”, zegt Vaes. “Dat kan bijvoorbeeld door een bijscholing of MFO te volgen of na te denken wat ze in de toekomst anders kunnen doen.”
De vragenlijst wordt ook gebruikt om voor het ICHO (het Interuniversitair Centrum voor de Huisartsenopleiding in Vlaanderen) opleidingen rond proactieve zorg te ontwikkelen.
Volgend jaar in EMD
De barometer cardiovasculaire zorg zal verschillende indicatoren bevatten. Net zoals de bestaande barometers gebruikt hij geautomatiseerde zoekopdrachten (queries) in het EMD, zodat de huisarts geen manuele opzoekingen moet doen. De barometer werd al uitgetest in Intego, een netwerk van 135 Vlaamse huisartsenpraktijken die geanonimiseerde patiëntgegevens en ziektetrends registreren voor wetenschappelijk onderzoek. Met het RIZIV is afgesproken dat de barometer volgend jaar ter beschikking gesteld wordt van huisartsen.
Vaes benadrukt dat de barometer geen controle-instrument is. “Dat is echt heel belangrijk. Want als je over audit en feedback spreekt, denken zorgverleners dat ze gecontroleerd zullen worden, of dat ze niet meer betaald zullen worden als ze bepaalde targets niet halen. De bedoeling is om je inzicht te geven waar de noden liggen in de populatie waarvoor je verantwoordelijk bent, en hoe je met je eigen praktijk of met andere zorgverleners samen acties kan ondernemen om daarop in te spelen. Het is echt bedoeld als een instrument van en voor huisartsen.”
'Met het RIZIV is afgesproken dat de barometer volgend jaar ter beschikking gesteld wordt van huisartsen'
Ruimte vrijmaken
Voor Vaes mogen artsen de barometer niet zien als een extra administratieve last. “Integendeel: het is een instrument dat juist ruimte creëert in je agenda om die reactieve zorg te blijven doen.” Voor Vaes hoort taakdelegatie en samenwerking met andere zorgverleners daarbij. “Ik wil over tien jaar geen huisarts zijn die een groot deel van de tijd bezig is met routinetaken. Er zijn heel wat taken in een huisartsenpraktijk die een verpleegkundige zou kunnen doen. Daardoor krijg ik tijd om patiënten die complexe zorg nodig hebben, die multimorbiditeit hebben, die hartfalen of een cardiovasculair event gehad hebben, ook op te volgen. Dat is de uitdagende zorg waar ik voor gekozen heb.”
Vaes geeft toe dat de overgang naar proactieve zorg eenvoudiger is in een groepspraktijk of multidisciplinaire praktijk, terwijl de helft van de praktijken in België nog solopraktijken zijn. “Maar er zijn zeker ook voor soloartsen opportuniteiten. In de barometer diabetes kan je bijvoorbeeld zien welke diabetespatiënten het voorbije jaar geen nierfunctietest hebben gehad. Vanuit die lijst kun je eenvoudig een herinnering toevoegen aan hun dossier om die test bij de volgende raadpleging aan te vragen. Dat alleen al maakt dat je proactief aan het werken bent, en niet afwacht tot die patiënt zich aanmeldt met nierfalen.”
Flexibel samenwerken
Samenwerking moet in de toekomst ook flexibeler worden, zegt Vaes. “Een initiatief dat we daarvoor opstarten heet HART – Huisarts Richting Toekomst. Dat is een coördinatiedienst voor praktijken die een deeltijds verpleegkundige zoeken. Dat kan voor een halve dag of twee dagen per week zijn, afhankelijk van de nood van de praktijk. HART gaat op zoek naar een verpleegkundige, maakt de nodige contracten, en zorgt ervoor dat die verpleegkundige opgeleid wordt en in de praktijk ingeschakeld kan worden. ”
“Ik weet dat sommige artsen niet staan te springen om taken te delegeren en samen te werken”, erkent Vaes. “Maar de belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat we niet anders zullen kunnen. Als we als huisartsgeneeskunde in België willen overleven, met de uitdagingen die nu voor de deur staan, dan moeten we in de toekomst anders gaan werken.”
Ook voor cardiologen
De barometer is ontwikkeld voor huisartspraktijken, maar ook cardiologen in tweede lijn kunnen een rol spelen in de omslag naar proactieve zorg, zegt Vaes. “Als je bijvoorbeeld cijfers voor de huisartsenpraktijken in een eerstelijnszone van 100.000 inwoners aggregeert, en die combineert met cijfers uit de IMA-Atlas over pakweg het aantal verwijzingen naar cardiologen, het aantal echografieën, het aantal interventies, het aantal geplaatste stents, dan krijg je inzichten in de cardiovasculaire zorg in die regio die je kan vergelijken met andere regio’s.”
“Stel dat je merkt dat er in een bepaalde regio veel echocardiografieën gebeuren, terwijl er eigenlijk minder mensen met hartfalen zijn, dan is dat misschien een aanleiding om na te denken of de middelen wel goed ingezet worden. Een populatiegerichte aanpak binnen een regio kan dus zeker ook voor cardiologen een belangrijke meerwaarde zijn. Bovendien is audit en feedback, wat wij doen voor huisartsenpraktijken, ook perfect toepasbaar voor ziekenhuisafdelingen. Elke afdeling cardiologie zou zichzelf kunnen vergelijken en benchmarken met de andere cardiologiediensten in België.”