Indien de behandeling het beoogde doel niet kan bereiken
Cassatie: geen verplichting tot behandeling van een geïnterneerde
Het Hof van Cassatie velde op 5 mei 2026 een arrest over de beëindiging van de internering van iemand die weigerde mee te werken aan de behandeling. Volgens het Hof was er geen sprake van een inbreuk op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De aangevochten beslissing
Het cassatieberoep was gericht tegen een vonnis van de Kamer voor de bescherming Maatschappij (KBM) te Gent dat had beslist tot overplaatsing van de eiser in cassatie naar de Afdeling tot Bescherming van de Maatschappij te Merksplas, binnen de twee maanden, als enig mogelijke oplossing.
Dat gebeurde op basis van onder meer volgende vaststellingen: hij maakte op therapeutisch vlak geen enkele progressie, niettegenstaande zijn jarenlang verblijf in het FPC; zijn psychotisch toestandsbeeld bleef op de voorgrond, spijts de toegediende medicatie, wat blijkt uit de jaarlijkse verslagen en het was voor zijn behandelaars zo goed als onmogelijk om met eiser inhoudelijke gesprekken te voeren.
Het cassatiearrest
Volgens het Hof van Cassatie verzetten de artikelen 3 (verbod op onmenselijke behandelingen), 5.1 (verbod vrijheidsberoving) en 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) zich er niet tegen dat de KBM - die vaststelt dat de opname in een aan de toestand van een geïnterneerde aangepaste instelling niet langer een behandeldoel dient, onder meer gelet op de weigering van de geïnterneerde om mee te werken aan de behandeling - een einde stelt aan die opname met het oog op de plaatsing van de geïnterneerde in een instelling waar niet langer de nadruk wordt gelegd op behandeling, maar wel op het bieden van externe controle, dagstructuur en levenskwaliteit.
Uit die verdragsbepalingen kan geen verplichting worden afgeleid voor de overheid om een behandeling te verstrekken die onmogelijk het beoogde doel kan realiseren.