Philippe Boxho: "Je mag de dood niet loskoppelen van het leven"
Forensisch patholoog Philippe Boxho (CHU Luik) is een fenomeen. De vier boeken die hij over zijn werk schreef zijn samen goed voor 1,6 miljoen verkochte exemplaren. Zopas verscheen 'In gesprek met een lijk' in Nederlandse vertaling. Onze collega's van Le journal du Médecin spraken Boxho bij de verschijning van zijn vorige boek.
Philippe Boxho is directeur van het Instituut voor Forensische Geneeskunde in Luik en hoogleraar forensische geneeskunde aan de Universiteit Luik. Hij voerde al meer dan 3.000 autopsieën uit en werkte mee aan spraakmakende onderzoeken. Na een optreden op RTBF, waarin hij vertelde over zijn drie “zotste zaken”, werd hij een Bekende Waal. De "Boxhomanie" werd een Europees fenomeen na een reeks interviews op het YouTube-kanaal van de Franse influencer Guillaume Pley (Legend). Een aflevering daarvan is inmiddels al 9,6 miljoen keer bekeken.
Philippe Boxho: Tegenwoordig kan ik geen wandeling meer maken zonder aangesproken te worden, of het nu in Wallonië of Frankrijk is. De mensen zijn ontzettend vriendelijk, ze willen me begroeten, zeggen dat ze mijn boeken leuk vinden. Vooral veel jongeren. Ik was laatst in Parijs, en er kwam een bus vol studenten uit Poitiers aan, jongeren van 17 of 18 die me herkenden. Het was te gek! En hun leraar vroeg me: "Maar wie bent u?"
Hoe combineert u dit succes met uw dagelijkse werk?
Mijn uitgever regelt alles. De promotie van de boeken is onderdeel van mijn contract, dus ik reserveer één week per maand, voornamelijk om naar het buitenland te reizen, en de rest van de tijd werk ik gewoon door en wil ik niet gestoord worden.
Het is een kwestie van planning: ik heb twee secretaresses die me daarbij helpen, en zo lukt het me om hetzelfde werkritme te behouden als voorheen. De deskundigenverslagen, het fusiedossier tussen het CHR en het CHU Luik, mijn studenten... Ik heb geen moment rust gehad.
'Misschien is dat ook wel waarom mijn boeken succesvol zijn: omdat de dood bij mij niet verborgen is, maar juist onthuld wordt'
Loopt u het risico het publiek te gaan vervelen met de dood als onderwerp?
Het publiek raakt altijd wel ergens op uitgekeken. Ik denk dat het me op een gegeven moment ook wel eens beu zal worden. Of beter, ik zal er op een gegeven moment zelf genoeg van hebben. Ik heb niet veel verhalen te vertellen; ik heb al drie boeken geschreven, wat helemaal niet slecht is! En dat zonder ergens anders dan in mijn geheugen te hoeven zoeken.
Als ik me een zaak herinner, ga ik de foto's in het archief opzoeken om er zeker van te zijn dat ik niets verkeerds zeg over de forensische autopsie. Daarna wordt het verhaal eromheen gefictionaliseerd, zodat de zaak niet herkenbaar is. Maar op een gegeven moment raak ik wel zonder ideeën. Nu nog niet, maar dat zal wel gebeuren.
Hoe lukt het je om de zaken voor het publiek onherkenbaar te maken?
Ik vertel een verhaal. Ik neem details van een casus en plak die in een andere, ik plaats ze nooit in dezelfde context, zodat ze niet te identificeren zijn. Maar het forensisch onderzoek is volledig accuraat. Ik houd een dossier bij met alles wat ik voor elk boek beschrijf, en het zijn altijd verhalen die meer dan twintig jaar oud zijn – op één na, een recentere zaak, maar die het publiek niet kent en dus niet herkent.
Ik zal het nooit hebben over de grote zaken in Luik, want dat zou voyeuristisch zijn. De jihadistische aanslagen, de explosie in de Rue Léopold in Luik... die zou ik nooit vertellen. Ze zijn niet relevant voor de maatschappij; het is geen standaard forensisch werk. Wat ik probeer te laten zien, is wat we doen in de normale forensische geneeskunde.
Je gebruikt ook veel humor in je boeken...
Ik weet dat ik succesvol ben als ik verhalen vertel. Ik had niet verwacht dat ik succesvol zou zijn met schrijven. Ik heb geprobeerd een eigen stijl te vinden, maar dat is nooit gelukt! Ik ben geen schrijver. Dus heb ik gekozen voor een stijl waarin ik verhalen vertel, zoals ik in het openbaar doe. Een meer conversatieachtige stijl, die goed aansluit bij wat ik in mijn lezingen doe. Het is niet erg ingewikkeld, maar als er een enigszins complex forensisch element is, leg ik het uit.
Een andere van uw passies zijn historische onderwerpen, zoals de Lijkwade van Turijn, het relikwie van Sint-Lambert...
De Lijkwade is een fascinerend onderwerp. Het is een plaats delict op zich; iemand is overleden en erin gelegd. Ik ontdekte het onderwerp bij toeval. Dat stuk stof intrigeerde me, en ik begon erover te lezen en na te denken. In 2002 ontmoette ik op een congres voor forensische geneeskunde Pierluigi Baima Bollone, een professor in de forensische geneeskunde in Turijn, die de Lijkwade meerdere malen had gezien, en we werden vrienden.
De opening van het relikwie van Sint-Lambert gebeurde in opdracht van de bisschop van Luik, en omdat ik van geschiedenis houd, sprak het me aan... Maar veel andere soortgelijke objecten intrigeren me, zoals de sluier van Manoppello, de tuniek van Argenteuil, de Zweetdoek van Oviedo, of het 'mirakel van Buenos Aires' waarbij een hostie verandert in een hartspier...
'Het probleem is niet het zien van de doden: zij zijn dood. Het verdriet van de levenden is zwaarder'
Uw boeken zijn erg leerzaam...
Het doel is om uit te leggen waarom we sterven. Uitleggen hoe forensische centra werken, hoe dingen in het veld te werk gaan, de principes waarop de benadering van een 'plaats delict' is gebaseerd, hoe die kan worden verstoord... Het heeft meer dan honderd jaar geduurd om die principes te ontwikkelen. Dus ja, het is in de eerste plaats leerzaam.
Na duizenden forensische onderzoeken, waaronder die bij massagraven in Kosovo, is posttraumatische stress dan geen reële mogelijkheid?
Nee, ik maak een duidelijk onderscheid tussen mijn werk en mijn leven. In Kosovo hebben we de kleding tentoongesteld zodat de bevolking, indien nodig, hun dierbaren in de graven kon herkennen. Het probleem is niet het zien van de doden: ze zijn dood. Het verdriet van de levenden is zwaarder. Maar het was belangrijk om erbij te zijn en ervoor te zorgen dat de daders van misdaden tegen de menselijkheid gestraft worden.
U staat aan het hoofd van het Instituut voor Forensische Geneeskunde in Luik; ziet u een tekort aan mensen die voor dit beroep kiezen?
Er is weinig interesse onder jongeren die beseffen dat je in de forensische geneeskunde alleen maar wachtdiensten draait. En wachtdiensten zijn niet populair. Het is ook een beroep dat je niet alleen kunt uitoefenen: je hebt een tweede specialisme nodig; sterker nog, wij zijn de enige specialisatie waarbij je er twee kunt hebben, omdat forensische geneeskunde niet rendabel is.
Het is geweldig leuk om forensische geneeskunde te beoefenen als je jong, single en kinderloos bent. Maar als het leven eenmaal op gang komt, wordt het ingewikkelder, en dan stoppen forensische pathologen ermee. Ze gaan werken voor zorgverzekeraars, het RIZIV, in de psychiatrie of de pathologie, met diensten van acht tot vijf. Maar het is hetzelfde in andere medische specialismen. En het is moeilijk om dit aan te pakken, omdat het een mentaliteitsprobleem is.
Komt dat door de vervrouwelijking van het beroep?
Dat was in het begin waarschijnlijk wel zo, maar nu niet meer. Alle lagen van de samenleving worden erdoor beïnvloed; iedereen wil een gezinsleven, en ik begrijp dat. Het is een andere manier om naar het leven te kijken. En we zien het in elk vakgebied. Het is de tijdsgeest, we moeten eraan wennen, maar het past niet bij welke medische praktijk dan ook. Ik heb de salarissen hier verhoogd omdat het nodig was, maar het verandert niets.
Als u uw eigen dood zou kunnen kiezen...
Ik wil bij bewustzijn zijn. Weten dat je doodgaat is een ervaring. Het tot het einde meemaken. Na het einde is er misschien niets. Of misschien wel iets. En dan ben ik me ervan bewust dat ik iets heb meegemaakt. En dat is wat me interesseert.
Mensen zeggen: "De dood is geen leven." Maar dat is het wel: de dood is de laatste fase van het leven, juist omdat het er een integraal onderdeel van is; je mag de dood niet loskoppelen van het leven. En misschien is dat ook wel waarom mijn boeken succesvol zijn: omdat de dood bij mij niet verborgen is, maar juist onthuld wordt.
>> In gesprek met een lijk van Philippe Boxho is uitgegeven bij Volt.
Deontologisch verantwoord
In 2025 werd een klacht tegen Philippe Boxho ingediend bij de Provinciale Raad van de Orde der Artsen in Luik, waarin werd gesteld dat hij de beroepsethiek niet respecteerde. "De Raad heeft de klacht niet alleen afgewezen en bevestigd dat ik de beroepsethiek wel degelijk respecteerde, maar nodigde me ook uit om mijn boeken te presenteren tijdens een beëdigingsceremonie."