Conventie-advies
Stel u volgende situatie voor: vier partijvoorzitters sluiten onderling een regeerakkoord af. Daarmee trekken ze naar een congres waarop ze hun basis het akkoord voorleggen. Sommige partijvoorzitters verdedigen het akkoord voor hun leden, terwijl anderen enkel aangeven hoe je voor of tegen het akkoord kan stemmen. Vreemd toch, die tweede houding.
Half december sloten artsen en ziekenfondsen binnen de medicomut een akkoord voor 2026 en 2027. Nadat de regering haar zegen gaf en de tekst in het Belgisch Staatsblad verscheen, startte de periode waarin u kan aangeven of u al dan niet wenst te conventioneren.
Alle artsensyndicaten keurden het akkoord in de medicomut goed. Enkele syndicaten sporen hun leden intussen actief aan om de conventie te aanvaarden (en dus geen stappen tot deconventie te nemen). Andere syndicaten geven op hun website aan hoe u volledig of gedeeltelijk kan deconventioneren. Is dit niet even vreemd als de houding van de partijvoorzitters die hun leden zeggen hoe ze tegen het regeerakkoord kunnen stemmen? Met deze nuance dat sommige individuele artsen en specialismen alle redenen hebben om (gedeeltelijk) te deconventioneren omdat hun officiële tarieven veel te laag liggen.
We horen steeds dat alle partners die bij de onderhandelingen rond de tafel zitten, voorstander zijn van het behoud van het conventiesysteem via onderhandelingen tussen artsen en ziekenfondsen. Dat werd in december door nagenoeg alle partijen uitgeschreeuwd. “Zie je wel dat het overlegmodel werkt”, luidde het. Zou het dan ook niet logisch zijn dat de partijen die het akkoord onderhandelden en ondertekenden hun leden vragen om zich daarbij aan te sluiten? Brengen ze anders de geloofwaardigheid van de conventie-akkoorden niet onnodig in gevaar?